056/60.23.17 - 0497/88.40.00 info@accountancyvanneste.be

In een arrest van 23 mei 2019 besliste het Grondwettelijk Hof dat er geen verschil in behandeling bestaat tussen de aftrekbaarheid van beroepskosten m.b.t. privéwoningen die door een vennootschap ter beschikking aan haar bedrijfsleider worden gesteld en de aftrekbaarheid van beroepskosten m.b.t. lusthuizen in dezelfde omstandigheden.

Feiten

Een vastgoedvennootschap is eigenaar van diverse onroerende goederen. Ze heeft een tiental goederen in eigendom, waaronder een villa in Knokke-Heist. Die wordt gratis voor privégebruik ter beschikking gesteld aan haar bedrijfsleider, die daarvoor een voordeel van alle aard aangeeft in de personenbelasting.

De vennootschap brengt de uitgaven voor haar vastgoed als beroepskost in aftrek. Dit gebeurt ook voor de villa. De taxatiediensten verwerpen deze aftrek. Volgens de taxatiediensten is het niet bewezen dat de kosten m.b.t. de villa zijn gemaakt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, zodat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 1992.

De vennootschap betwist dit standpunt, maar de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, bevestigt het standpunt van de fiscale administratie. De vastgoedvennootschap tekent hoger beroep aan tegen dit vonnis bij het Hof van Beroep te Gent.

Voor het Hof van Beroep van Gent herhaalt de vastgoedvennootschap haar argumentatie maar verwijst ondergeschikt op het bestaan van de aftrekregeling van beroepskosten i.v.m. lusthuizen, zoals vervat in art. 53, 9° WIB 1992.

Lusthuizen

Onder lusthuizen worden de onroerende goederen verstaan die noch uitsluitend of hoofdzakelijk voor het uitoefenen van de eigenlijke beroepswerkzaamheid worden gebruikt, noch als enige of als belangrijkste woning ter beschikking van de leden van het personeel of van de organen van bestuur worden gesteld. Het gaat over onroerende goederen waar leden van het personeel of van organen van bestuur, vertegenwoordigers, klanten, leveranciers, zakenrelaties, enz. individueel of in groep, kunnen worden uitgenodigd om er te verblijven zoals in een hotel.

Overeenkomstig artikel 53,9° WIB zijn kosten m.b.t. lusthuizen geen beroepskosten, behalve indien en in zover de belastingplichtige bewijst dat zij bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en uit hoofde van de eigen aard daarvan noodzakelijk zijn, of in de belastbare bezoldiging van de begunstigde personeelsleden zijn begrepen.

Arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 mei 2019

Vermits de kosten m.b.t. lusthuizen overeenkomstig art. 53, 9° WIB als beroepskosten kunnen worden beschouwd indien ze in de belastbare bezoldiging van de begunstigde personeelsleden zijn begrepen (waaronder ook de vaste vertegenwoordiger van de vennootschap-bestuurder moet worden begrepen) maar dit niet het geval lijkt wanneer de kosten betrekking hebben op een ‘gewone’ privéwoning, die in de belastbare bezoldigingen van de begunstigde personeelsleden zijn begrepen, werd door het Hof van Beroep van Gent aan het Grondwettelijk Hof de vraag gesteld of dit onderscheid verenigbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Volgens het Grondwettelijk Hof is het verschil in behandeling onbestaande, aangezien ook t.a.v. lusthuizen de algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden van art. 49 WIB vervuld moeten zijn. Met name dient de belastingplichtige, in casu de vastgoedvennootschap, in beide gevallen (‘gewone privéwoningen’ en ‘lusthuizen’) kunnen aantonen dat de toegekende voordelen, die deel uitmaken van de belastbare bezoldiging, beantwoorden aan de werkelijke geleverde prestaties van de betrokken personeelsleden of bedrijfsleiders verricht ten behoeve van de vennootschap.

Standpunt

De rechtspraak laat zich de laatste jaren van zijn strengste kant zien als het gaat om de vraag naar de aftrek van kosten voor een onroerend goed die een vennootschap ter beschikking stelt van haar bedrijfsleider. Het volstaat niet dat de terbeschikkingstelling van het onroerend goed als voordeel van alle aard is opgenomen in de personenbelasting van de bedrijfsleider. Het voordeel is slechts als beroepskost aftrekbaar indien er werkelijke prestaties van de bedrijfsleider tegenover staan. Dit is een feitenkwestie. De (zware) bewijslast ligt bij de belastingplichtige. Tot heden biedt de rechtspraak m.i. weinig houvast hoe dit bewijs kan worden geleverd.

Artikel opgemaakt in samenwerking met Advocatenbureau Van Cauter BVBA uit Waregem.